Brief van Amerikaanse soldaat uit Vietnamoorlog (1966)

Vietnamoorlog: Brief van een jonge soldaat (1966)

Een jonge Amerikaanse soldaat schrijf in 1966 naar zijn vriend het volgende (de brief is geanonimiseerd):

Gegroet uit Vietnam. (…)

Chris, ik ben nog nooit zo teleurgesteld geweest over mijn land als na mijn ervaringen hier gedurende de laatste vijf maanden of zo. Voor het eerst ben ik op het toneel, waar het nieuws gemaakt wordt, en ik zie duidelijk voor mijn ogen dat de verslaggevers er niet naar sterven een juist beeld te geven van wat er gebeurt – ze schrijven liever iets, dat verkoopbaar is en zoveel mogelijk geld en reputatie zal opleveren. Voor de meeste gevechtsfoto’s wordt geposeerd, of het zijn trainingsfoto’s van achter de linie onder het motto van gevechtsfoto’s in de frontlinie. Nadat ik gedurende de laatste paarmaanden aan de gevechten heb deelgenomen, weet ik wel zo’n beetje wat mogelijk is en wat niet. Als je een foto van een Vietcong ziet, die met zijn handen omhoog uit een hol komt, dan kan je er donder op zeggen, dat er voor die foto geposeerd is. Als je een Vietnamese moeder het lichaam van haar kind tegen kogels ziet beschermen, dan kan je er donder op zeggen, dat de fotograaf ook zijn… naar beneden zou hebben. Wat een larie!

Het meest ben ik echter teleurgesteld door de droevige houding van het Vietnamese volk. Speciaal de ontwikkelde leiders van dit land zijn zo door en door rot, gemene, vuile dieven. Het zijn communistenhaters, maar ze hebben alleen een flinke rekening op buitenlandse banken. Ze deponeren ieder maand een bedrag van vele malen hun salaris op die bankrekening buiten hun land. (…)

- advertentie -

De rapporten beweerden dat mijn bataljon (250 man) 175 Vietcong doodde of gevangen nam. Maar uit al onze acties heb ik slechts twee lijken en acht gevangenen overgehouden. Zelfs wanneer ik rekening houd met degenen, die na gesneuveld te zijn door de Vietcong weggesleept werden, geloof ik dat we er slechts twintig doodden. Maar onze verliezen waren vijftig gesneuvelden, vijfendertig gewonden en zestien krijgsgevangenen. Ik heb persoonlijk vijfentwintig van onze doden gezien en helpen dragen – maar volgens het verslag waren onze verliezen ongeveer twaalf man. Deze foutieve krantenverslagen stellen Washington tevreden.

De nadruk ligt niet op wat wij presteren en hoe groot de vooruitgang is die wij maken. Als je op papier zou zetten, dat er vooruitgang gemaakt werd, is het voldoende. Ze leven in een droomwereld, maar ik vrees, dat ze alleen zichzelf voor de gek houden – en het Amerikaanse publiek: beiden zullen er op de lange duur de nadelen van ondervinden. (…)

De Vietnamese bevolking zelf – de kooplieden, de boeren, enzovoort – waarderen niet in ’t minst wat we voor hen doen. Restaurants en winkels hebben twee prijzen, één voor de Vietnamezen en één voor de Amerikaanse soldaten (die voor deze mensen sterven). Bier kost voor een Vietnamees 16 cent en voor een soldaat 40 cent. Een blok ijs kost voor een Vietnamees 60 cent en voor een Amerikaans soldaat 2,5 dollar. Een Vietnamees betaalt voor het vervoer in een fietskarretje 20 cent en een Amerikaan betaalt voor hetzelfde ritje één dollar. Zo zou ik door kunnen blijven gaan. Als je er op staat dezelfde prijs als een Vietnamees te betalen, lachen ze je uit en weigeren. In welke winkel je het ook probeert, het is overal hetzelfde. Ze hebben je in hun macht. Een soldaat, die als een dier zestig dagen lang in een eenmansgat vol modder heeft geleefd, kan het niet opbrengen hun prijzen te weigeren. Als hij enigszins wil genieten van de halve dag ontspanning in de stad, die zijn commandant hem heeft toegestaan, moet hij de schandalige prijzen betalen of zich alles ontzeggen. De meesten knarsetanden en betalen.

Ook een van de dingen, die de Vietnamese bevolking doet, is het bestelen van de Amerikaanse soldaat. Terwijl ik bij daglicht door de binnenstad van Danang reed, werden mijn sigaretten van het stoeltje naast me in de jeep gestolen. Op een keer kreeg ik de man, die het deed, te pakken. De Vietnamese politieman, waar ik hem heen bracht, sprak een paar woorden in het Vietnamees tegen hem en liet hem gaan. Hij glimlachte allervriendelijkst tegen mij en zei: ‘Spijt me erg.’ Ja, ze zijn vol waarderen voor hetgeen we hier voor hen doen. Een tijdje geleden werd een vriend van mij, kapitein… in een hinderlaag van de Vietcong gedood. Bij hem waren ongeveer tien Vietnamese soldaten. Hoewel… gedood werd, zagen de Vietnamese soldaten die bij hem waren, kans zich de Vietcong van het lijf te houden. Maar toen zijn lichaam nar onze commandopost werd teruggebracht, waren zijn horloge, pistool, geweer, geld, et cetera verdwenen. Een andere vriend van mij ging bij de compagnie op bezoek en ontdekte dat een van onze Vietnamese geallieerden het pistool van de dode, een ander zijn geweer en een derde zijn horloge had. Het is duidelijk te bewijzen, want het geweer is van het type, dat alleen door Amerikaanse soldaten gebruikt wordt en het pistool was een 1917 model Duitse Luger en zijn persoonlijk bezit. Toen ik dit hoorde, had ik er zelf op af willen gaan om er een paar te vermoorden. Het is zo onvoorstelbaar gemeen. Tot nu toe is het ons alleen gelukt het geweer terug te krijgen. De Vietnamese officieren weigeren eenvoudig de andere dingen terug te geven. (…)

Het maakt me woedend mijn vrienden hier te zien sneuvelen en gewond raken en mijn eigen leven dagelijks op het spel te zetten, wanneer ik zie dat de Vietnamezen zelf zich niet in ’t minst uitsloven of ook maar enige waardering hebben voor je gezwoeg en offers. Ik zie Vietnamezen hier met hun vrouwen lachen en plezier maken. Ik zie menige jonge Vietnamees, die niet in het leger is. En ik vraag me af waarom ik hier moet zitten en mijn vrouw aan het andere eind van de wereld en waarom ik moet vechten en mijn leven moet riskeren, terwijl zoveel jonge Vietnamese mannen dat niet doen.

Bron: Onze Jaren, blz. 2919, aldaar geciteerd uit: Bill Adler, Veldpost uit Vietnam (1967). Zie ook: https://www.geschiedenisportaal.nl/v2/2013/08/08/vietnamoorlog-brief-van-een-jonge-soldaat-1966/