Radiotoespraak Adolf Hitler na complot van 20 juli 1944

Op 20 juli 1944 pleegde een groep van zo’n 200 hoge Duitse militairen, politici en prominente burgers een aanslag op Adolf Hitler. In diens bunker de Wolfschanze in Oost-Pruissen ging een bom af, maar Hitler overleefde deze aanslag, bekend geworden als Operatie Walküre (Unternehmen Walküre). Rond 19.00 was op de Duitse radio te horen dat Hitler helemaal niet dood was. Zelf sprak de Führer om 1.00 uur op de radio om alle twijfel weg te nemen. Hieronder de volledige Duitse tekst en Nederlandse vertaling van de speech die Hitler op de radio uitsprak.

Deutsche Volksgenossen und -genossinnen!

Ich weiß nicht, zum wievielten Male nunmehr ein Attentat auf mich geplant und zur Ausführung gekommen ist. Wenn ich heute zu Ihnen spreche, dann geschieht es aus zwei Gründen:

1. Damit Sie meine Stimme hören und wissen, daß ich selbst unverletzt und gesund bin.
2. Damit Sie aber auch das Nähere erfahren über ein Verbrechen, das in der deutschen Geschichte seinesgleichen sucht.

Eine ganze kleine Clique ehrgeiziger, gewissenloser und zugleich unvernünftiger, verbrecherisch-dummer Offiziere hat ein Komplott geschmiedet, um mich zu beseitigen und zugleich mit mir den Stab praktisch der deutschen Wehrmachtführung auszurotten. Die Bombe, die von dem Obersten Graf von Stauffenberg gelegt wurde, krepierte zwei Meter an meiner rechten Seite. Sie hat eine Reihe von mir teurer Mitarbeiter sehr schwer verletzt, einer ist gestorben. Ich selbst bin völlig unverletzt bis auf ganz kleine Hautabschürfungen, Prellungen oder Verbrennungen. Ich fasse das als eine Bestätigung des Auftrages der Vorsehung auf, mein Lebensziel weiter zu verfolgen, so wie ich es bisher getan habe. Denn ich darf vor der ganzen Nation es feierlich gestehen, daß ich seit dem Tage, an dem ich in die Wilhelmstraße einzog, nur einen einzigen Gedanken hatte, nach bestem Wissen und Gewissen meine Pflicht zu erfüllen, und daß ich, seit mir klar wurde, daß der Krieg ein unausbleiblicher war und nicht mehr aufgeschoben werden konnte, daß ich seit dem eigentlich nur in der Sorge, der Arbeit und der Sorge, und in zahllosen Tagen und durchwachten Nächten nur für mein Volk lebte!

- advertentie -

Es hat sich in einer Stunde, in der die deutschen Armeen in schwerstem Ringen stehen ähnlich wie in Italien, nun auch in Deutschland eine ganz kleine Gruppe gefunden, die nun glaubte, den Dolchstoß in den Rücken wie im Jahre 1918 führen zu können. Sie haben sich diesesmal aber sehr getäuscht. Die Behauptung dieser Usurpatoren, daß ich nicht mehr lebte, wird jetzt in diesem Augenblick widerlegt, da ich zu Euch, meine lieben Volksgenossen, spreche. Der Kreis, den diese Usurpatoren darstellen, ist ein denkbar kleiner. Er hat mit der deutschen Wehrmacht und vor allem auch mit dem deutschen Heer gar nichts zu tun. Es ist ein ganz kleiner Klüngel verbrecherischer Elemente, die jetzt unbarmherzig ausgerottet werden. Ich befehle daher in diesem Augenblick:

1. Daß keine zivile Stelle irgendeinen Befehl entgegenzunehmen hat von einer Dienststelle, die sich diese Usurpatoren anmaßen.

2. Daß keine militärische Stelle, kein Führer einer Truppe, kein Soldat irgendeinem Befehl dieser Usurpatoren zu gehorchen hat, daß im Gegenteil jeder verpflichtet ist, den Übermittler eines solchen Befehls oder den Geber eines solchen Befehls entweder sofort zu verhaften oder bei Widerstand augenblicklich niederzumachen.

Ich habe, um endgültig Ordnung zu schaffen, zum Befehlshaber des Heimatheeres den Reichsminister Himmler ernannt. Ich habe in den Generalstab Generaloberst Guderian berufen, um den durch Krankheit zur Zeit ausgefallenen Generalstabschef zu ersetzen, und einen zweiten bewährten Führer der Ostfront zu seinem Gehilfen bestimmt.

In allen anderen Dienststellen des Reiches ändert sich nichts. Ich bin der Überzeugung, daß wir mit dem Austreten dieser ganz kleinen Verräter- und Verschwörer-Clique nun endlich aber auch im Rücken der Heimat die Atmosphäre schaffen, die die Kämpfer der Front brauchen. Denn es ist unmöglich, daß vorn Hunderttausende und Millionen braver Männer ihr letztes hergeben, während zu Hause ein ganz kleiner Klüngel ehrgeiziger, erbärmlicher Kreaturen diese Haltung dauernd zu hintertreiben versucht. Diesmal wird nun so abgerechnet, wie wir das als Nationalsozialisten gewohnt sind.

Ich bin überzeugt, daß jeder anständige Offizier, jeder tapfere Soldat in dieser Stunde das begreifen wird.

Welches Schicksal Deutschland getroffen hätte, wenn der Anschlag heute gelungen sein würde, das vermögen die wenigsten sich vielleicht auszudenken. Ich selber danke der Vorsehung und meinem Schöpfer nicht deshalb, daß er mich erhalten hat – mein Leben ist nur Sorge und ist nur Arbeit für mein Volk – , sondern, wenn ich danke, nur deshalb, daß er mir die Möglichkeit gab, diese Sorgen weiter tragen zu dürfen und in meiner Arbeit weiter fortzufahren, so gut ich das mit meinem Gewissen und vor meinem Gewissen verantworten kann.

Es hat jeder Deutsche, ganz gleich, wer er sein mag, die Pflicht, diesen Elementen rücksichtslos entgegenzutreten, sie entweder sofort zu verhaften oder – wenn sie irgendwie Widerstand leisten sollten – ohne weiteres niederzumachen. Die Befehle an sämtliche Truppen sind ergangen. Sie werden blind ausgeführt, entsprechend dem Gehorsam, den das deutsche Heer kennt.

Ich darf besonders Sie, meine alten Kampfgefährten, noch einmal freudig begrüßen, daß es mir wieder vergönnt war, einem Schicksal zu entgehen, das nicht für mich Schreckliches in sich barg, sondern das den Schrecken für das deutsche Volk gebracht hätte.

Ich ersehe daraus auch einen Fingerzeig der Vorsehung, daß ich mein Werk weiter fortführen muß und daher weiter fortführen werde!

Nederlandse vertaling

Duitse volksgenoten en vrouwelijke medelanders,

Ik weet niet hoe vaak er al een moordaanslag op mij is gepland en uitgevoerd. Wanneer ik je vandaag spreek, gebeurt dit om twee redenen:

1. Zodat u mijn stem hoort en weet dat ik ongedeerd en gezond ben.</br>
2. Zodat u het nodige te weten komt over een misdaad die zijn gelijke in de Duitse geschiedenis niet kent.</br>

Een zeer kleine kliek van eerzuchtige, gewetenloze en tegelijkertijd onredelijke, criminele en domme officieren heeft een samenzwering gepland om mij uit de weg te ruimen en tegelijkertijd de staf van de Duitse Wehrmacht-leiding uit te roeien. De bom, die neergelegd is door Graf Von Stauffenberg, knalde twee meter aan mijn rechterkant uit elkaar. De bom heeft enkele van mijn vertrouwelingen ernstig verwond, één is er overleden. Ikzelf ben helemaal ongedeerd, behoudens enkele minieme schaafwonden, kneuzingen en brandwonden. Ik beschouw het als een bevestiging van de Voorzienigheid om mijn levensdoel te blijven nastreven, zoals ik tot nu toe heb gedaan. Want ik wil plechtig bekennen, ten aanschouwen van de hele natie, dat ik vanaf de dag dat ik de Wilhelmstrasse opliep, ik slechts één gedachte had. Namelijk om mijn plicht naar eer en geweten te vervullen. En dat, zo is mij duidelijk geworden, de oorlog onvermijdelijk was en niet langer kon worden uitgesteld. En dat ik sindsdien feitelijk alleen voor mijn volk in zorg, arbeid én zorg, had geleefd en ontelbare dagen en nachten wakker gelegen heb.

In een uur waarin de Duitse legers dezelfde zware strijd voeren als in Italië, is er in Duitsland een zeer kleine groep opgestaan, die geloofde dat ze een dolkstoot in de rug kon uitdelen, net zoals in 1918. Ze hebben het deze keer echter helemaal bij het verkeerde eind gehad. De bewering van deze machtswellustelingen als zou ik niet meer leven, wordt op dit moment, terwijl ik tot jullie spreek, weerlegd, mijn beste landgenoten. De kring die deze machtswellustelingen gevormd hebben, is mogelijk nog kleiner dan we denken. Hij heeft niets te maken met de Duitse Wehrmacht en vooral met het Duitse leger. Het is een heel kleine bende criminele elementen die nu meedogenloos zijn uitgeroeid. Ik beveel daarom op dit moment:

1. Dat geen enkele burgerlijke autoriteit een bevel mag opvolgen van een dienst die door usurpators wordt aangeboden.

2. Dat geen militair instantie noch een leider van een legergroep noch een individuele soldaat welke order dan ook van deze machtswellustelingen mag opvolgen. Integendeel! Iedereen is verplicht om degene die een dergelijk bevel overdraagt (namens een ander) of zelf geeft, onmiddellijk te arresteren of diegene, als die zich verzet, direct om te leggen.

Om definitief de orde te garanderen, heb ik Reichsminister Heinrich Himmler benoemd tot commandant van het Duitse leger. Ik heb kolonel-generaal Guderian bij de generale staf geroepen om de stafchef, die door ziekte zijn werk niet kan doen, te vervangen. Verder heb ik een tweede en probate leider met ervaring aan het Oostfront aangesteld als zijn assistent.

In alle andere legerafdelingen in het Rijk verandert er niets. Ik ben ervan overtuigd dat we met de opkomst van deze zeer kleine verraders- en samenzweringskliek eindelijk aan de randen van ons vaderland een atmosfeer hebben gecreëerd, die onze vechters aan het front nodig hebben. Want het is onmogelijk dat honderdduizenden en miljoenen dappere mannen hun uiterste best doen, terwijl thuis een zeer kleine groep eerzuchtige, ellendige wezens deze instelling voortdurend probeert te ondermijnen. Deze keer zal hiermee worden afgerekend op een manier die we als nationaalsocialisten gewend zijn.

Ik ben ervan overtuigd dat elke trouwe officier en elke dappere soldaat dat op dit moment zal begrijpen.

Welk noodlot Duitsland getroffen zou hebben als de aanval van vandaag succesvol zou zijn, dat zullen maar weinigen zich kunnen voorstellen. Zelf dank ik de Voorzienigheid en mijn Schepper niet voor het feit dat die mij gespaard heeft – mijn leven bestaat slechts uit zorgen en werken voor mijn volk – maar, als hem dan toch moet bedanken, alleen omdat hij me de gelegenheid geeft door te mogen gaan met mijn zorg en verder te kunnen gaan met mijn werk, zo goed als ik dat met en voor mijn geweten kan doen.

Elke Duitser, ongeacht wie hij is, heeft de plicht om deze verzetselementen roekeloos tegen te gaan en e onmiddellijk te arresteren. Of hen, als ze zich op de een of andere manier mochten verzetten, ze zonder aarzeling te doden. Deze bevelen zijn aan alle gevechtstroepen overgebracht. En deze worden blindelings uitgevoerd, conform de gehoorzaamheid die het Duitse leger kent.

Ik wil in het bijzonder jullie, mijn oude strijdmakkers, nog eenmaal vreugdevol begroeten, dat mij opnieuw het voorrecht werd verleend om te ontsnappen aan het noodlot. Een noodlot dat voor mij geen erge dingen in petto zou hebben gehad, maar wel het Duitse volk schrik aangejaagd zou hebben.

Ik zie hierin ook een boodschap van de Voorzienigheid, dat ik mijn werk moet voortzetten en daarmee verder moet doorgaan!

 

Bron:
-https://www.1000dokumente.de/index.html?c=dokument_de&dokument=0083_ahr&object=translation&l=de
-Orignele vermelding: “Adolf Hitler, Rundfunkansprache zum Attentat vom 20. Juli 1944, 21. Juli 1944, 1.00 Uhr, Originalaufnahme”, in: M. Domarus, Hitler. Reden und Proklamationen 1932-1945. Kommentiert von einem Deutschen Zeitgenossen Band II / 2e Halbband (München 1965) p. 2127-2129.