Troonrede 2017

Leden van de Staten-Generaal,

Op Prinsjesdag zijn alle ogen traditioneel gericht op Den Haag. Maar vandaag zijn ons hart en onze gedachten in de eerste plaats bij de inwoners van Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, die zo zwaar getroffen zijn door de verwoestende kracht van orkaan Irma. Wij allen leven intens mee. Juist in deze moeilijke omstandigheden wordt de onderlinge verbondenheid in het Koninkrijk zichtbaar. Van vele kanten is er steun uitgesproken en wordt hulp geboden. De regering zal doen wat in haar vermogen ligt om de acute nood te lenigen. Het Caribisch deel van het Koninkrijk staat er bij de wederopbouw niet alleen voor. Lees verder Troonrede 2017

Beatrijs (ca.1300)

“Inden vergier quam si met vare.
Die jongelinc wert haers gheware.
Hi seide: ‘Lief, en verveert u niet:
Hets u vrient dat ghi hier siet.’
Doen si beide te samen quamen,
Si begonste hare te scamen
Om dat si in enen pels stoet
Bloets hoeft ende barvoet.
Doen seidi: ‘Wel scone lichame,
U soe waren bat bequame
Scone ghewaden ende goede cleder.
Hebter mi om niet te leder,
Ic salse u gheven sciere.’
Doe ghinghen si onder den eglentiere
Ende alles dies si behoeft,
Des gaf hi hare ghenoech.
Hi gaf haer cleder twee paer.
Blau waest dat si ane dede daer
Wel ghescepen int ghevoech.
Vriendelike hi op haer loech.
Hi seide: ‘Lief, dit hemelblau
Staet u bat dan dede dat grau.’
Twee cousen toech si ane
Ende twee scoen cordewane,
Die hare vele bat stonden
Dan scoen die waren ghebonden.
Hoet cleder van witter ziden
Gaf hi hare te dien tiden,
Die si op haer hoeft hinc.
Doen cussese die jongelinc
Vriendelike aen haren mont.”

Bron: https://www.literatuurgeschiedenis.nl/middeleeuwen/tekst/lgme022.html

Hildebrandslied (ca. 800)

“Hadubrand sprak, Hildebrands zoon:
‘met de speer moet men gaven ontvangen,
speerpunt tegen speerpunt (…)
Jij bent een oude Hun, enorm sluw,
je lokt me met je woorden, wilt je speer naar me werpen.
Je bent een zo oude man geworden, (door)dat je altijd bedrog pleegde.
Dat zeiden me zeevaarders
vanuit het westen over de Wereldzee (komend), dat strijd hem wegnam:
dood is Hildebrand, de zoon van Heribrand.’
Hildebrand sprak, Heribrands zoon:
‘Goed zie ik aan je harnas
dat je thuis een rijke heer hebt,
dat je uit dit rijk nog nooit verdreven werd.’
‘Ach, almachtige God [sprak Hildebrand], onheil geschiedt.
Ik zwierf zestig zomers en winters in vreemde landen,
waar men mij altijd schaarde onder het strijdvolk:
Terwijl men mij bij geen enkele vesting kon doden
moet nu mijn eigen kind me met zijn zwaard vellen,
neerslaan met zijn wapen, of ik moet zijn moordenaar worden.
Je kunt nu gemakkelijk, als je kracht het toelaat,
van een zo oude man het harnas veroveren,
buit bemachtigen, als je daarop enig recht hebt.’
‘Diegene [sprak Hildebrand] zou de lafste van de Oostlieden zijn,
die je nu de strijd zou weigeren, nu je zo verlangt
naar een duel; dat moet uitwijzen,
wie van ons beiden vandaag zijn wapenrusting moet ruimen,
of deze beide harnassen zal bezitten”.
Toen lieten ze eerst de lansen van essenhout schrijden,
met scherp geschut dat in de schilden bleef steken.
Toen stootten ze op elkaar, de schilden weerklonken,
ze sloegen angstwekkend in op blinkende schilden,
tot hun lindenhouten schilden klein geworden waren,
gekliefd door de wapens ….”

Bron: http://www.geschiedenisportaal.nl/v2/2013/08/06/hildebrandslied/

 

 

Vonnis van Balthasar Gerards (15 juli 1584)

Balthasar Gerards werd veroordeeld voor de moord op Willem van Oranje. Lees hier het vonnis:

Alsoe Balthazar Gerardt, geboren van Uuilleffans in ‘t Graeffschapp van Bourgoignen onder het gebiet des Conincx van Spangien, tegenwoordich gevangen, bekent heeft, dat hy voorgenomen hebbende omme te brengen den persoon van den Doorluchtigen, hoochgeboren Furst ende heere den heere Prince van Oraignen, Grave van Nassau etcetera, ontrent twee jaeren ende een halff geleden hem begeven heeft uuijten Lande van Bourgongnen in den Landen van Luxemborch, alwaer hij hem begeven hebbende in dienste van den Secretaris des Grave van Mansfelt, Gouverneur aldaer, affgedruckt heeft zeeckere groot getal van des Grave van Mansfelt secrete pitzierzegelen, hebbende oock geleert contrefeyten de onderteijckeninge van denselven Grave van Mansfelt, omme met behulp vandijen acces te maecken in den hove des voornoemden heeren Princen van Orangien, welck zijne voornemen hij bekent heeft in Martio voorleden schriftelicken binnen der stadt Doornick, te kennen gegeven te hebben den Prince van Parma, de- welcke deur sijne Raetsheere Christoffle d’Assonville daertoe gecommitteert, met hem gevangen, dairop in communicatie ende onderhandelinge getreden zijnde, hem gevangen toegeseyt heeft, dat indijen hy syn voornemen wiste te volbrengen ende den ban ofte proscriptie van den Coninck van Spangien, tegens den persoon van den heere Prince van Orangien uuijtgegeven, ter executie brochte, dat den Coninck van Spangien hem soude voldoen ‘t gundt hy by de sententie, houdende onder meer andere poincten de somme van vijff ende twintich duijsent ducaten toegeseyt ende belooft heeft. Lees verder Vonnis van Balthasar Gerards (15 juli 1584)

Livius – De stichting van Rome

ca. 30 v.Chr.

Romulus en Remus waren tweelingbroers. Daarom kon er geen voorrang verleend worden volgens leeftijd en zouden de auguren uitmaken wie zijn naam zou geven aan de nieuwe stad en wie ze zou besturen na haar stichting: Romulus koos de Palatinus en Remus de Aventinus als waarneempost voor de auguren. Men zegt dat Remus het eerst een voorteken zag, namelik zes gieren. Lees verder Livius – De stichting van Rome

Caesar: fragment uit De bello Gallico

55 v. Chr.

“In de volgende winter – het was het consulaatsjaar van Gnaeus Pompejus en Marcus Crassus – gingen de Usipeten en de Teukteren, Germaanse stammen, in grote menigte over de Rijn, niet ver van zijn uitmonding in zee. De oorzaak daarvan was, dat zij, verscheiden jaren door de Sueben verontrust, van de oorlog te lijden hadden en in de rustige akkerbouw werden verhinderd.

De Sueben zijn verreweg de grootste en krijgshaftigste natie van alle Germanen. Men zegt, dat zij honderd gauwen hebben, waaruit zij telken jare duizend gewapende over de grenzen zenden, om krijgstochten te ondernemen. De anderen, die thuis blijven, zorgen voor het onderhoud van zich en van hen, die zijn uitgetrokken. Het jaar daarop trekken wederom op hun beurt de achtergeblevenen uit en blijven de anderen thuis. Zo verwaarlozen zij noch de landbouw, noch de kennis en de oefening van de oorlog. Eigen privaat grondbezit bestaat bij hen niet; ook mag men niet langer dan een jaar op dezelfde plaats blijven wonen. Zij leven ook niet zozeer van graan, maar grotendeels van de melk en het vlees van hun vee; bovendien houden zij zich veel met de jacht bezig.

Deze levenswijze staalt, zowel door de soort van het voedsel als door de dagelijkse lichaams-oefeningen en de ongebonden vrijheid – want van kindsbeen af zijn zij aan plicht noch tucht gewend en doen zij volstrekt niets tegen hun zin – hun krachten en geeft hun deze reusachtige gestalte. En daarbij hebben zij zich gewend, zelfs in de koudste streken in de rivieren te baden en geen andere kleding te dragen dan een dierenhuid, die wegens haar kortheid het lichaam toch grotendeels onbedekt laat.”

Bron: Julius Caesar, De bello Gallico in: (vert:) J.J. Doesburg, Gedenkschriften van de Gallischen Oorlog deel 4 (Amsterdam z.j.)

- advertentie -

Smeekschrift der Edelen (1566)

Het Smeekschrift der Edelen was een verzoekschrift dat ongeveer tweehonderd edelen, verenigd in het Eedverbond der Edelen onder leiding van Hendrik van Brederode, op 5 april 1566 aanboden aan landvoogdes Margaretha van Parma. Dit gebeurde in aanloop naar de Tachtigjarige Oorlog.

Me-vrouwe: de selfde edelen die als nu in deser stad by malkanderen zijn, en andere van gelijkder qualiteit, tot een redelijk getal, dewelk om eenseker respects wille achter gebleven zijn, hebben gesloten tot dienste van den coning, en tot gemene welvaert van dese sijne Erf-Nederlanden, uwer Hoogheit in alder ootmoedigheit dese remonstrantie te presenteren, waer op haer believen sal sulx te ordonneren gelijk de selve bevinden sal voeglijk te wesen: biddende uwe hoogheit ons dit niet qualijk af te willen nemen. Lees verder Smeekschrift der Edelen (1566)

Herodotus over Egypte

Herodotus (484 – 425 v.C.): Geschiedverhalen over Egypte (Fragment)
Euterpe, Tweede boek:

“Deze zijn de gebruiken van de Egyptenaars, die boven de moerassen wonen. De in de moerassen wonenden echter leven onder de zelfde zeden, als waaronder ook de andere Egyptenaars leven, én in andere zaken én ook is ieder van hen met één vrouw gehuwd, gelijk de Hellenen, doch voor het gemakkelijk verkrijgen van spijs hebben zij dit andere uitgedacht: wanneer de rivier vol is en het land en zee geworden, groeien in het water vele leliën, die de Egyptenaars lotus noemen. Lees verder Herodotus over Egypte

Aristoteles over ontstaan van de wetenschap

De mens werd eerst tot de beoefening van de wetenschap gebracht door de verwondering; dit geldt trouwens nu nog. Eerst verwondert hij zich over de meest voor de hand liggende problemen. Nadien verbaast hij zich geleidelijk over grotere raadsels, als de verschijnselen van de maan en van de zon, en de oorsprong van het heelal. Wie echter verbaasd is en vragen stelt, is overtuigd van zijn eigen onwetendheid. Als derhalve de mens zijn aandacht besteedde aan de wetenschap om uit zijn onwetendheid te geraken, dan is het ook duidelijk dat hij streefde naar kennis omwille van de kennis zelf, en niet uit nuttigheidsoverwegingen. Dit wordt bevestigd door de historische evolutie.

Uit: J. Demey e.a., Geschiedenis in documenten (Amsterdam 1974) 35.

Pacificatie van Gent (volledige tekst)

De volledige tekst van de Pacificatie van Gent

Allen dengenen, die dese jegenwoirdige letteren zullen sien oft hooren lesen, saluyt. Alzoe die landen van herwaertsovere die lestleden negen oft thien jaeren doer d’inlandssche orloghe, hoochveerdige ende rigoureuse regieringe, moetwillicheyt, roovinge ende andere ongeregeltheden van de Spaengnaerden ende henne adherenten gevallen zijn in groote miserie ende alendicheyt, ende dat omme daertegens te versiene ende te doen cesseren alle voirdere troublen, oppressien ende aermoeden van de voirsz. landen, by middele van eene vaste vrede ende pacificatie, hebben in de maendt van Februarii in ‘t jaar XVc LXXIIII gecommitteert ende vergadert geweest tot Breda commissarissen van Zyne Majesteit ende van den heere Prince van Orangien, Staten van Hollandt, Zeelandt ende hunne geassocieerden, by dewelcke geproponeert zijn geweest diversche middelen ende presentatien, dienende grootelick tot voorderinge van de voirsz. pacificatie, zoe en is nochtans daerop niet gevolcht die verhoepte vruchtbaericheyt. Lees verder Pacificatie van Gent (volledige tekst)